magazine / juli 2016

Greenpeace captain

Peter Willcox is al meer dan dertig jaar milieuactivist. Hij zag hoe 'zijn' Rainbow Warrior werd opgeblazen en zat als één van de Arctic 30 gevangen in Rusland. Speciaal voor jou een fragment uit zijn net verschenen boek. 

februari – mei 2002, Al Qaida, wapens en diamanten 

Sète, Frankrijk; Salerno, Italië; Vlissingen, Nederland. Actie ‘Red de bossen’ tegen bloedhout. 

Ik was op 11 september 2001 op Mallorca toen mijn tienjarige dochter Anita me vertelde dat er net een vliegtuig tegen het World Trade Center was aangevlogen. De man van mijn zus Bani en haar schoonvader waren aan de overkant van de straat aan het werk. Ik maakte me al zorgen over hen toen het tweede toestel de toren raakte en de hele wereld onmiddellijk begreep dat het geen ongeluk was. (Ik hoorde later dat de vader en zoon weg waren gerend toen de tweede toren instortte. Ze waren enorm geschrokken, maar ongedeerd.) Hoewel Al Qaida tot dan niet onbekend was – van de aanslag op het World Trade Center 1993, de aanval op de USS Cole en andere incidenten – waren het de gebeurtenissen van 11 september die de beweging tot een begrip maakte. Je zou niet verwachten dat het pad van een geweldloze organisatie als Greenpeace zich zou kruisen met dat van Al Qaida, maar dat zou tijdens deze campagne, indirect althans, wel gebeuren. In 1991 droeg Charles Taylor, de ‘president’ (lees: dictator) van Liberia, bij aan een burgeroorlog in buurland Sierra Leone door de rebellenmilitie ‘Revolutionary United Front’ te steunen.

Taylor wilde met deze oorlog controle krijgen over de diamantmijnen van Sierra Leone. Het geld van de diamanten werd gebruikt voor de illegale wapenhandel, die zich uitstrekte tot de Taliban, Al Qaida, Viktor Bout (de grootste wapenhandelaar ter wereld), Libië en vele andere terroristische organisaties en regimes. De lange burgeroorlog – die werd gekenmerkt door gruwelijkheden als massaverkrachtingen, slavernij, amputaties en executies – leidde tot grote internationale verontwaardiging en uiteindelijk tot een verbod van de VN op zogenaamde bloeddiamanten. Hoewel er geen einde kwam aan de handel, had het verbod op bloeddiamanten een onbedoeld neveneffect: een enorme toename van de illegale houtkap in de eeuwenoude jungle van Liberia en het verwijderen van groepen bedreigde en zeldzame bomen. Liberia was van bloeddiamanten overgegaan op bloedhout om geld te verdienen, waarvan een deel in Taylors zakken terechtkwam en een deel werd gebruikt voor wapendeals of om rebellen in andere landen te steunen. In de vier jaar tussen 1997 en 2001 was de illegale houtexport verdertienvoudigd! Greenpeace had eind 2001 al besloten zich in 2002 te richten op de illegale houtkwestie in Afrika, maar de ramp van 11 september maakte de campagne nog urgenter.

Taylor had zelfs exclusieve kapvergunningen verleend aan bedrijven die in handen waren van de Nederlander Guus Kouwenhoven, een vermeend voormalige drugssmokkelaar, wapenhandelaar en in feite een enorme klootzak. Zijn eerste bedrijf heette Oriental Timber Company, en het tweede, ironisch genoeg, Evergreen Trading. Taylor had Kouwenhoven zelfs toestemming verleend om hout te kappen op land van de regering dat eerder was bestempeld tot nationaal grondgebied en wildreservaten. Het was een wespennest dat de vernietiging van het milieu en schending van de mensenrechten op grote schaal mogelijk maakte.

Het meeste illegale hout kwam terecht in Frankrijk en China. Als het daar eenmaal was verwerkt, was het onmogelijk om te bepalen waar het hout vandaan was gekomen en of het al dan niet legaal was. Het doel van Greenpeace was schepen ervan te weerhouden hun bloedhout te lossen, en consumenten bewust te maken dat ze door de picknicktafels en andere houtproducten te kopen, martelingen, verkrachtingen, doodseskaders en ontbossing steunden. (Greenpeace heeft geen bezwaar tegen houtkap, mits het duurzaam en milieuvriendelijk gebeurt. Liberia was wat dat betreft een van de ergste overtreders ter wereld.) 

De eerste van een reeks geplande acties zou plaatsvinden bij de haven van Sète in Frankrijk. Deze zou enkele dagen plaatsvinden voor het schip waar onze actie tegen gericht was, de Agia Irene, zou arriveren, en we gebruikten die tijd om ons voor te bereiden. Het succes van vele geslaagde Greenpeaceacties is vaak te danken aan onze RHIB’s, die we snel in kunnen zetten en ook snel weer terug kunnen halen. We hebben dikwijls een flinke voorsprong op onze doelwitten en/of autoriteiten door deze snelle opblaasboten.

Aangezien we van plan waren het schip met het hout te enteren, oefenden we tevens diverse entertechnieken. Die technieken zijn eigenlijk niet enorm veranderd sinds de tijd van piraten en vierkantgetuigde schepen, maar we hebben wel wat dingen verfijnd. We hebben stokken van zeven meter lang met een grote haak aan het eind. Aan die haken zitten touwladders bevestigd. Als we een schip enteren vanaf een RHIB (die veel lager in het water ligt dan een schip), gebruikt iedereen een stok om de haak over een reling of een ander deel van de romp te leggen. Dan trekken we de stok uit de haak, waardoor de haak met de ladder eraan blijft hangen en we vanuit onze RHIB naar boven kunnen klimmen. Het is redelijk eenvoudig, maar zeer effectief. Als de bemanning van het schip zich erg kwaad maakt, kan enteren heel lastig zijn, maar meestal wil de bemanning zich met niemand bemoeien; dat laten ze liever aan de autoriteiten over (en dat vinden wij best!).

Als een schip op een loods wacht, hangt er soms een loodsladder over de rand van het schip, en kunnen we zo aan boord klimmen. Andere keren houden we de ladder bezet om de loods te beletten om aan boord te komen en het schip binnen te leiden. Het is allemaal afhankelijk van het weer, de timing, het type schip, enzovoort. We moeten vaak op het laatste moment beslissingen nemen al naar gelang de situatie. Dit was ook zo’n geval. De Agia Irene kwam enkele dagen na de Rainbow Warrior ’s nachts aan. De meeste grote havens zijn vrijwel dag en nacht open. Een schip dat niet vaart, kost alleen maar geld en dus laden of lossen de meeste havens een schip direct na aankomst. In Sète weigerden de havenarbeiders echter om ’s nachts te werken, wat betekende dat the Agia Irene tot de volgende dag in de haven voor anker moest gaan in plaats van direct door te varen naar het dok. Hierdoor was ze een relatief makkelijk doelwit voor onze enteractie. LEES VERDER>

WINNEN OF KORTING

Stuur vóór 10 juli 2016 een e-mail naar redactie@greenpeace.nl en maak kans op één van de tien gesigneerde boeken. Alleen de winnaars ontvangen bericht. 

 


Niet gewonnen? Als donateur betaal je tot 31 augustus 2016 via boekenwereld.com/greenpeace slechts € 15 i.p.v. € 19,99. En dan krijg je het boek ook nog gratis thuisbezorgd.