Grote opleggers voeren in een gigantisch tempo waardevol hout af; de plaatselijke bevolking kan alleen toekijken. De industriële houtkap vormt de grootste bedreiging voor het tropisch regenwoud van de Democratische Republiek Congo.
Uit verklaringen van dorpelingen, lokale ambtenaren en zelfs
medewerkers van Olam doemt een beeld op van illegale kap,
ongemarkeerde dus mogelijk illegale houtstammen en transporten die
in werkelijkheid veel groter zijn dan op papier. Lokale bewoners
die durven te protesteren tegen de enorme schade aan het Congolese
regenwoud, de bron van hun levensonderhoud, worden afgescheept of
geïntimideerd. Op de plaatsen waar Olam actief is, zijn de
arbeidsomstandigheden en de sociale voorzieningen bedroevend.
Multinational Olam in de
praktijk
In Congo is Olam een relatieve nieuwkomer. Direct na het einde
van de oorlog stonden vele internationale bedrijven te trappelen om
het ongerepte Congolese regenwoud in te trekken, op zoek naar het
kostbare Afrikaanse hardhout: zo ook Olam.
In weerwil van het Congolese moratorium op nieuwe
kapvergunningen uit 2002, heeft Olam inmiddels maar liefst drie van
deze vergunningen bemachtigd voor toekomstige kap: in totaal voor
zo'n 300.000 hectare bos. Voor deze drie vergunningen vroeg Olam
eind 2005 een erkenning van hun wettelijk status, terwijl ze
volgens Greenpeace duidelijk in strijd zijn met het moratorium en
de nieuwe Congolese bossenwet. In afwachting van deze eventuele
legalisering van haar kapvergunningen (1) koopt Olam hout in op de
lokale houtmarkten. Vaak ongemarkeerd, zodat de herkomst en
legaliteit van dat hout op geen enkele manier te garanderen is. Via
deze aankoopstrategie hoeft Olam zich zelf geen zorgen te maken
over lonen of arbeidsomstandigheden in de bosontginning, en is er
in geen verste verte sprake van verantwoord bosbeheer.
Tenslotte verschuilt Olam zich achter lokale partners om te
kunnen kappen in gebieden waar het zelf geen vergunningen heeft, en
zo faciliteert zij andere bedrijven, in ieder geval staatsbedrijf
ONATRA in Yuki, in de provincie Bandundu. Verschillende getuigen
verklaarden onafhankelijk van elkaar dat Olam brandstof en
materiaal invloog om de kap te faciliteren en boomstammen liet
afvoeren over water. Bosarbeiders ontvangen een vergoeding van
ongeveer 16 US dollar per maand. Lokale autoriteiten in Yuki zeggen
niets te weten van een 'subcontract' van Olam met ONATRA. De Boswet
uit 2002 verbiedt dit soort contracten expliciet. Toch is het in de
praktijk Olam die zorgt voor de exploitatie van ONATRA's
gebied.
Ook veel van deze stammen zijn ongemarkeerd volgens diverse
lokale bronnen, dus schimmig en hoogstwaarschijnlijk illegaal,
concludeert Greenpeace. Dat maakt het voor de lokale autoriteiten
vrijwel onmogelijk te bepalen hoeveel hout Olam daadwerkelijk uit
het regenwoud haalt en naar Kinshasa verscheept en dus hoeveel
belasting er moet worden betaald.
Erg kieskeurig is Olam nooit geweest: zo had Olam
handelsbelangen in Birma, berucht vanwege schendingen van
mensenrechten. In 2006 werd Olam in Ghana ook in verband gebracht
met frauduleuze praktijken zoals het verhandelen van illegaal
gekapt hout en veel lagere volumes hout aangeven bij de Ghanese
overheid dan wat in werkelijkheid werd verhandeld. De Ghanese
overheid liep zo miljoenen euro aan belastingsinkomsten mis. In
2005 claimde Gabon een belastingschuld van miljoenen euro bij
Olam.
Investeerders
Desondanks investeert de International Finance Corporation
(IFC), de private tak van de Wereldbank, in november 2003 15
miljoen dollar in Olam. IFC bevestigt dat zo'n 5 procent daarvan
ten goede komt aan de wereldwijde houtactiviteiten van Olam,
waaronder 'een houtzagerij in Afrika'. En in juni 2004 krijgt Olam
een gedeeltelijke garantie van 50 miljoen dollar van de IFC. Over
duurzaamheid schrijft het IFC: "Olam bevordert duurzaam bosbeheer
en haar activiteiten zijn volledig in overeenstemming met de eisen
van het Bossenbeleid van de Wereldbank uit 2002." De praktijk laat
echter zien dat lokaal gekapt hout, zonder enige controle op
legaliteit, duurzaamheid en sociale omstandigheden voor een
schijntje wordt opgekocht, om vervolgens op de wereldmarkt te
worden verhandeld.
Wat wil Greenpeace?
Greenpeace vraagt investeerders om Olam aan te spreken op de
schandalige praktijken in Congo. Nederland is inmiddels de vierde
importeur van Europa geworden van tropisch hout uit de DRC met in
2006 import ter waarde van 16,9 miljoen euro. Greenpeace ziet voor
Nederland, als belangrijk donorland van de Wereldbank, een
belangrijke rol weggelegd. Greenpeace vraagt minister Koenders van
Ontwikkelingssamenwerking om zich bij de Wereldbank sterk te maken
voor het behoud van de Congolese oerwouden en voor het moratorium
op nieuwe concessies.
(1) Een herziening van de wettelijkheid van alle kapvergunningen
is aan de gang. In principe moeten alle vergunningen die na het
moratorium op nieuwe werden verkregen worden geannuleerd. (14 mei
2002) Dit moratorium is een belangrijke pijler van de door de
Wereldbank gesteunde hervorming van de bosbouwsector in the
DRC.
Voor meer
informatie over de houtkap in Congo:
- Engelstalige Greenpeace Rapport 'Carving Up the Congo';
deel 1;
deel 2;
deel 3;
deel 4
- Nederlandse samenvatting
'Carving Up the Congo'