Bladzijde - 3 februari, 2003
Het regenwateronderzoek richt zich vooral op POP's (Persistent Organic Pollutants). Deze giftige stoffen zitten in producten die consumenten dagelijks gebruiken. POP's zijn nauwelijks afbreekbaar, leggen lange afstanden af en hopen zich op in het vetweefsel van mens en dier.
Regenwaterproject Greenpeace. I.h.k.v. de campagne giftige stoffen plaatst Bart van Opzeeland, campagnemedewerker van Greenpeace een regenmeter op het dak van de VNCI in Leidschendam. Het opgevangen water zal door TNO worden onderzocht op de aanwezigheid van giftige chemische stoffen. ©GP/Deiman.
Voorbeelden van POP's zijn broombrandvertragers, alkylfenolen en
ftalaten. Ftalaten (weekmakers) worden onder meer gebruikt om
plastic zacht en buigzaam te maken. Ze komen voor in
vloerbedekking, vinylbehang, elektriciteitskabels,
verpakkingsmateriaal en kinderspeelgoed. Er zijn voldoende
alternatieven voor PVC. Bijvoorbeeld linoleum, hout, plavuizen of
tapijt op de vloer. Maar ook voor speelgoed en elektriciteitskabels
zijn er goede alternatieven beschikbaar. Greenpeace wil met het
regenwateronderzoek aantonen dat uit deze consumentenproducten
giftige stoffen lekken die in het milieu terechtkomen.
Voorzorgprincipe
Greenpeace start het regenwateronderzoek juist nu omdat in maart
van dit jaar de Europese Commissie een voorstel zal doen voor het
toekomstige EU-beleid op giftige stoffen. Volgens Greenpeace schiet
het huidige beleid op veel punten tekort. De milieuorganisatie is
voorstander van het voorzorgsprincipe. Dat betekent dat stoffen
alleen toegepast mogen worden als vooraf vaststaat dat ze
onschadelijk zijn voor mens en milieu. Greenpeace eist dat het
voorzorgsprincipe, dat nu ook juridisch wordt onderkend door de
Raad van State, bij het nieuwe Europese chemicaliënbeleid centraal
zal staan.